Bij de aanleg van een vijver creëren we een biotoop voor tal van levende, schadelijke en onschadelijke diertjes.
Bootsmannetjes: Deze beestjes kunnen schade toebrengen aan de vissen. Een gestoken vis herken je vaak aan het feit dat deze op zijn zij zwemt. de vis wordt verlamt. Soms overleeft de vis de verlamming, grote vissen hebben kans te overleven. Om van deze beestjes af te komen is vangen. Ze komen eens in de zoveel tijd boven water om een nieuwe luchtbel te halen. Een mogelijkheid om van ze af te komen is doe wat zeep in het water de oppervlaktespanning van het water zal veranderen, waardoor de bootsmannetjes zinken
Kokerjuffer: De larve van de kokerjuffer maakt van planten materiaal zijn huisje. Vanuit dit kokertje eet hij verrotte en afgestorven materialen.
Geelgerande waterkever: Deze kever moet steeds boven water komen om adem te halen. De kever is zeer vraatzuchtig.Het beestje klemt zich met de kaken vast aan haar prooi. Er wordt verteringssap in de prooi gespoten. Als dit is opgelost, zuigt ze haar slachtoffer leeg. Vissen, salamanders en kikkervisjes, dienen als prooi.
Posthoornslak: Deze slak raspt de bladeren van de zuurstofplanten stuk. Ook de leliebladeren worden niet ontzien en de onderwater bladeren van de plomp vinden ze een lekkernij.De slakken kunnen met een netje uit de vijver geschept worden. Een blaadje sla op het water leggen behoort ook tot de mogelijkheden.
Moeras hoornslak: Deze slak leeft van pas ontwikkelde wieren ze stoffen dehele bodem af op zoek naar afval. De moerashoornslak is van grootte waarde het is de enige slakkensoort die nuttig is in de vijver.
Visbloedzuiger: Deze bloedzuiger kan door nieuwe vissen of vogels in de vijver komen. Visbloedzuigers zijn net groen/rode wormpjes. We kunnen ze bij de vissen aantreffen in demond,kieuwen, in de anus of ze hagen aan de vis. De vissen kunnen sterven aan bloedarmoede.
Waterleliekever: De kever leeft op de bladeren van de waterlelie en beschadigt de stengels van de lelie.
Waterleliemotje: Dit beestje vindt je aan de onderkant van het blad.Het vlindertje legt haar eieren daar. Als de rupsen uitkomen vreten ze gangen in de bladeren en stengels. Haal deze bladeren van de lelie af en gooi ze weg.
Dansmug: De rode larven van de dansmug leven in de bodem. Ze zuigen en schrapen aan de waterlelie. Aangetaste planten krijgen omgekrulde bladeren en bruine verkleuringen. De baars en de goudwinde eten deze larven en zorgen dat ze niet al te massaal in de vijver kunnen optreden.
Schaatsrijder: Alles wat op het water land, wordt door hen gevoeld en als het als prooi kan dienen, zuigen ze het leeg. Vissen e.a. doen ze geen kwaad.
Water schorpioen: Tussen de zuurstofplanten ligt hij op de loer. Deze schorpioen leeft alleen in helder water.Water schorpioenen zijn vrij zeldzaam maar soms komen ze in de sier vijver voor.De schorpioen kan het visbestand veel schade toebrengen.
Watervlo: Deze vlo komt voor in heldere sloten en plassen. Het is prima visvoer maar pas op met vangen u kunt ook schadelijke insekten in u vijver overbrengen.
Watermijt: Deze bloedrode mijt eet kleine schaaldieren, larven en wormen.
Roofspin: Deze spin ligt vaak op een blaadje met haar poten over de rand van het blad. Kleine insecten die op het water in haar buurt komen, zijn haar prooi.
Springstaart: Deze kleine insecten leven o.a. op de lidsteng. Ze kunnen een plaag voor u vijver worden.
Waterjuffer: Deze juffer is familie van de libelle.De waterjuffer kan niet zo vliegen. Zittend op een stengel wachten ze op hun prooi, kleine insecten.
Libel: De libel heeft zijn eigen territorium. Libellen vangen insecten in de lucht. De eitjes worden o.al afgezet op krabbescheer.
Waterpissebed: Waterpissebedden leven van algen en van dode planten op de bodem
De Regendaas Is een vlieg, die de eitjes in het water legt. Het vrouwtje legt ze op waterplanten, die vlak onder het oppervlakte zitten. De larven leven in het water en jagen op kleine waterdieren. Ze ademen onder water en hebben geen adembuis. De vrouwtjes van de Regendaas kunnen heel vervelend steken. Net als bij de steekmug steekt het mannetje niet.
Draadnageljuffer: Na elke vervelling worden de larven groter. Bij de laatste vervelling kruipt de larve langs bijv. een rietstengel het water uit.
Platbuik: Deze libellen komen met verschillende kleuren per soort voor. Sommige zijn bruinachtig, andere hebben gele vlekken op het lijf.