Eendenfokken vanuit China en Egypte via Volendam naar Noorwest Veluwe
Harderwijk/Hierden De eendenhouderij is een bedrijfstak die onlosmakelijk verbonden is met de Veluwe. Hoewel het aantal bedrijven drastisch is teruggelopen door magere jaren, stadsuitbreiding,schaalvergroting,en milieuregels is het nog steeds een centrum van een bedrijfstak die over het hele land is uitgewaaierd.
Sinds de jaren 20 zorgen de bedrijven voor een flink stuk werkgelegenheid. De eendenhouderij wordt nog altijd met gemengde gevoelens bekeken. In die zin is er een goede vergelijking te trekken met de Zuiderzeevisserij waaruit deze sector voortkwam. Harderwijk heeft als visserstad nooit zo’n enorme betekenis gehad en op de vissers werd in die dagen neergekeken,maar inmiddels is een romantisch beeld ontstaan.van het visserstadje Harderwijk. Het zou best eens kunnen zijn dat in het jaar 2050 ook de eendenhouderij dergelijke beelden oproept.Want ook aan de eendenhouderij zit een verhaal van opkomen blinken en verzinken van vette en magere jaren. Een uniek verhaal, omdat nergens in Europa de eendenhouderij zo’n betekenis heeft gekregen als juist hier op de Veluwe. Een verhaal ook van eigenzinnige en koppige karakters,die elkaar toch altijd weer wisten te vinden in coöperatieve structuren om gezamenlijk hun verlangen veilig te stellen om ,schipper te blijven op eigen erf ‘.
Voorgeschiedenis De oorsprong van de eendenhouderij ligt vermoedelijk in China, waar al ver voor onze jaartelling eenden werden gefokt. Ook de oude Egyptenaren en later de Romeinen hielden eenden in gevangenschap. Pas in de loop van de vorige eeuw ontstond er ook in Noord-Holland iets van wat op een eendenhouderij begon te lijken. Op diverse boerderijen in het polderlandschap werden kleine koppeltjes van ongeveer vijftien eenden gehouden die, net als kippen elders, zelf naar hun voedsel moesten zoeken. Het ging hier om de Spreeuwkopeend,de Noordhollandse Witborsteend en de Noordhollandse Krombekeend. Ze zwierven overdag in de poldersloten rond en kwamen aangelokt door wat graan, s’avonds weer naar nachtverblijf terug. De volgende morgen als ze hun eieren hadden gelegd, werden ze weer losgelaten. Ze werden gebruikt bij de jacht en in eendenkooien om wilde eenden te lokken.
Edam/Volendam Bedrijfsmatige eendenhouderij heeft zich voor het eerst goed ontwikkeld in de omgeving van Edam en Volendam aan het eind van de vorige eeuw. Het afvalhout dat de houtzagerijen in de Zaanstreek opleverde werd gebruikt voor het timmeren van eendenhokken. In en rond de dorpen ontstonden zo aan ieder slootje hele series eendenhokken. Bijna iedere visser hield daar de nodige eenden. Voer was in de vorm van visafval en bijvangst ruim voor handen. De hygiënische omstandigheden lieten al gauw te wensen over,maar omdat de vervoerskosten laag waren bleek het toch een aardige bijverdienste. Uiteindelijk zouden deze omstandigheden hier de bedrijfstak toch de das omdoen. Besmettelijke ziekten zoals eendenpest hadden vrij spel en konden zich razendsnel Verspreiden via sloten.
Pioniers Het was ook in de omgeving van Volendam waar Harderwijkse vissers voor het eerst kennismaakten met de eendenhouderij . In en rond Harderwijk doken zo de eerste Indische loopeenden werden doorgefokt tot goede legeenden. Zij bereikten een productie van tweehonderd eieren per jaar eenden op, die met vis werden gevoerd. In 1920 besloten vier jongemannen de stap te wagen. Deze vier Aalt en Andries Jansen, Hein Volkers en Frans de Lange, kochten ieder een perceel aan de Harderwijkerweg in Ermelo, en bouwden wat hokjes, kochten wat witborsteenden en togen enkele keren per week met een hondenkar naar Harderwijk om wat nest (kleine visjes uit de Zuiderzee) te halen. Deze pioniers pakten de zaken gelijk goed aan en na enkele jaren ontstond een booming business die velen uit de visserij zou aantrekken
Indische loopeend Net als de Volendammers begonnen ook zij net Noordhollandse witborsten, spreuwkoppen en krombekken. Al snel ontdekten zij echter de Indische loopeend. Deze uit Indonesië afkomstige eendensoort was al lang wijdverbreid in Zuid-Oost Azië, waar zij gehoed werden in de afgeoogste rijstvelden en waar deze eenden hun eigen kostje bij elkaar scharrelden. De Indische loopeenden werden rond 1850 naar Engeland geëxporteerd, waar zij werden doorgefokt tot goede legeenden. Deze typisch gebouwde eenden wisten al snel een eierproductie te bereiken van Tweehonderd eieren per jaar . Voor die tijd waren dat ongelofelijke aantallen. Legkippen legden in die tijd in het gunstigste geval een kleine honderd eieren. De pioniers hadden het fokken snel onder de knie, waarbij Aalt Jansen in 1928 al een eend had gefokt die 337 eieren wist te leggen. Deze eenden zorgden ervoor dat de gedane investeringen snel werden terugverdiend. De hondenkar werd vervangen door een veel grotere kar met paard. Er kwam personeel op de bedrijven, broedmachines werden aangeschaft en hokken werden bijgebouwd.
Beroemde rassen Met de komst van de Indische loopeend was in Engeland aan het eind van de 19e eeuw de eendenhouderij sterk opgekomen. Door deze loopeenden in te kruisen met diverse eendenrassen die men al kende,ontstonden beroemde rassen als de Buff Orpington, Welsh Harlequin, Abacot Ranger, Magpie en The Large Appleyard Duck. Rassen die tot de Tweede Wereldoorlog zorgden voor een belangrijk deel van de eier-en vleesproductie in Engeland. Heden ten dage worden dit soort rassen nog steeds gefokt, vooral voor tentoonstellingen. Rond deze eenden is een levendige cultuur ontstaan, waardoor op Landgoederen en boerenerven deze rassen nog steeds zijn te bewonderen.
De voortvarende aanpak van de pioniers legde hen geen windeieren. Al snel werden zij ook producenten van uitgangsmateriaal voor andere startende eendenhouders. Het betrof hier vooral vissers die zagen dat met eenden houden veel meer te verdienen viel dan met vissen en dat bovendien de Zuiderzeevisserij een aflopende zaak aan het worden was. Nieuwe eendengebieden werden aangewezen.Tonsel werd het centrum van de eendenhouderij. In die zelfde tijd werd ook het stuifzandgebied rond de parallelweg ingericht als eendengebied. Heimen Jansen zou zich hier gaan vestigen,opgevolgd door zijn zoons Johan en Evert Jansen.(veel later zou Johan Jansen mijn schoonvader worden) Een gebied dat door zijn goede zand bodem uitnemend geschikt bleek voor het houden van legeenden. Tussen 1930 en 1940 zuchtte Nederland onder een economische crisis die zijn weerga niet kende. Enorme werkeloosheid was het gevolg. Het ging de eendenhouders echter onverminderd goed. In 1937 toonde minister Deckers zich na een bezoek aan Tonsel dan ook, uiterst voldaan over deze bijkans op industriële leest geschoeide eendenbedrijven welke zich, in tegenstelling tot vrijwel alle andere takken van landbouw en veeteelt tot dusver nagenoeg zonder financiële overheidssteun hebben kunnen handhaven.
Mammoetbedrijf Het is moeilijk schattingen te maken van die vooroorlogse eierproductie. Het ministerie van Landbouw gaat uit van ongeveer 800.000 legeenden in de laatste jaren voor de oorlog. Vermoedelijk lag dit aantal hoger,aangezien de voormalige vissers veelal een broertje dood hadden aan het betalen van belasting (dat hadden ze ook als visser nooit gedaan) Eibert den Herder spreekt in zijn boek Brak Water over miljoenen eenden die dagelijks 200.000 kg garnalen oppeuzelen. Nu is die in zijn strijd tegen de afsluiting van de Zuiderzee niet in zijn eerste leugentje gebleven,maar het blijft een feit dat de haven in die dagen vol lag met Bunschoters, Markers, Elburgers, Volendammers en Harderwijkers om de eendenhouders van nest te voorzien. Het bedrijf van de firma Jansen ontwikkelde zich in die jaren tot een voor die tijd waar mammoetbedrijf met 50.000 legeenden.
Ondernemers Het blijft verbazingwekkend dat de eendenhouderij in een jaar of tien zo’n enorme vlucht kon nemen. Tenslotte bestond het eendenhouders bestand voornamelijk uit ongeschoolde vissers zonder enige agrarische achtergrond. Een aantal reden voor het succes zijn wel aan te voeren: De Zuiderzee was brak en rijk aan nest (garnalen, spiering,en andere kleine visjes). De prijzen lagen dan ook laag en het aanbod was onbeperkt. *De hoge eierproductie van legeenden ten opzichte van legkippen. *De eierprijzen waren hoog door een grote vraag vanuit Duitsland en Engeland. *De beschikbaarheid van veel en goedkoop personeel zorgde voor de mogelijkheid om grote efficiënte bedrijven op te zetten. Het systeem met de goedkope lange stallen en drinkgoten aan weerszijde wereldwijd bekend als Dutch System, bleek de ideale huisvestingsvorm voor het houden van legeenden. *Onder de vissers bleek een aantal zeer goede ondernemers te zitten die bereid waren de nodige risico’s te nemen.
Net op tijd Het was duidelijk dat Harderwijk met het verdwijnen van het Belgenkamp na de eerste Wereldoorlog danig in economische problemen dreigde te geraken. De opkomst van de eendenhouderij kwam dan ook net op tijd om het tij te keren. In de gouden jaren 1925 tot 1937 zouden velen profiteren van deze sector, waarin erg veel geld werd omgezet. Allereerst de vissers natuurlijk. De enorme hoeveelheden nest die moesten worden aangevoerd zorgden ervoor dat de vissersvloot tot de Tweede Wereldoorlog intact bleef, waar veel andere vissersplaatsen al snel terug moesten in aantal na de afsluiting van de Zuiderzee.
Goeden doen Asbestona, kalkzandsteenfabriek en aannemers deden goede zaken, want van wat binnen een jaar verdiend werd met een eendenhok kon soms het volgende jaar alweer een volgend hok worden gezet. Zo ontstonden voor die tijd grote agrarische bedrijven die aan veel mensen werk boden. Ook de middenstand had er plotseling een kapitaals krachtig koperspubliek bij. Waar men enkele jaren daarvoor nog elk dubbeltje moest omkeren geraakte de voormalige vissers al snel in goeden doen, wat vooral op donderdag na de veiling van de eieren goed te merken was. Terwijl de mannen onder genot van een borrel en een dikke sigaar met elkaar de handel van die dag doornamen ging moeder inkopen doen.
Teruggang Zoals in elke tak van de economie kwam ook in de eendensector door een te snelle groei de varkenscyclus op gang. Doordat de opbouw van een oorlogsindustrie Duitsland financieel had uitgeput namen deze oosterburen vanaf 1937 praktisch geen eendeneieren meer af; bijna alles ging vanaf dat moment naar Engeland. In ons land moesten de eieren tot overmaat van ramp van een stempel worden voorzien, met de vermelding dat ze tien minuten moesten worden gekookt. In 1939 werd de teruggang nog versterkt door de beperkte aanvoer van nest. Gedroogde garnalen,vismeel en maïs dienden als vervanging, maar dat betekende aanzienlijke verhoging van de vervoerkosten. Toen bleek ook dat nogal wat eendenhouders in hun enthousiasme te ver waren gesprongen. Voor er grote klappen onder de eendenbedrijven vielen gebeurde er echter wat anders de Tweede Wereldoorlog begon.
Oorlogsjaren Na de Duitse invasie keerden de eendenhouders die waren opgeroepen voor de mobilisatie weer snel terug van het front. In de zomer van 1940 besloot het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd om de pluimveestapel tot op ongeveer een derde van zijn omvang terug te brengen. De toewijzing werd beperkt, waar bij vooral de grootste bedrijven de dupe werden. De eendenhouders draaiden echter nog redelijk door tot halverwege 1941, zo valt uit administratie op te maken. De verklaring daarvoor kan denk ik,gevonden worden in het feit dat eenden van vis konden leven en dus niet afhankelijk waren van de steeds schaarser granen.
Onderduikers Echter aangezien er nauwelijks meer vis werd aangevoerd kwam in de loop van de oorlogsjaren de hele eierproductie stil te liggen. De hokken boden slechts nog onderdak aan wat onderduikers . Het onkruid op de bedrijven tierde welig na zoveel jaren intensieve bemesting. Diverse eendenhouders pakten hun oude beroep van visser weer op om op die manier toch nog wat te verdienen. Er werd een regeling ingesteld waarbij alleen de erkende fokbedrijven die zich in Tonsel bevonden nog wat voer kregen. Op deze manier hoopten men de fokstammen in stand te houden, zodat de pluimvee-industrie zich na de oorlog weer snel zou kunnen herstellen.
Pekingeend biedt nieuw perspectief
In de oorlog dachten velen dat het met de eendenhouderij weer net zou worden als voor die tijd. Nog meer dan voorheen begonnen visser met eenden, maar ook gewone boeren uit de omliggende plaatsenzagen hierin gouden kansen. Er waren echter twee problemen. In die eerste opbouwjaren waren er in Nederland maar liefst 300.000 bedrijven die met hun kippen wat extra inkomsten trachten te verwerven. Graan was in die eerste naoorlogse jaren ook nog maar in zeer beperkte mate beschikbaar. Het gevolg was een stevige voer beperking en een moeizame eierafzet. De eendeneieren gingen in hoofdzaak naar de beschuitindustrie de NIVE in Nederland en de spaghetti industrie in Italië. In het binnenland moesten ze voor gewone consumptie nog altijd tien minuten worden gekookt. Ofschoon men er in slaagde eieren in de schaal eieren in de schal kiem vrij te maken en ook gepasteuriseerd eierpoeder te verwerken (in samenwerking met de NIVE) heeft dit de zaak niet kunnen redden. De productie van eendeneieren liep zo zachtjes aan ten onder.
Afvallers De eierveiling, die wekelijks werd gehouden in het gebouw van de groenteveiling, werd gedomineerd door twee of drie handelaren die de te veilen eieren onderling verdeelden. Het veilingbestuur besloot ook zelf aan de handel te gaan meedoen en zo slaagde men erin nog enigszins redelijke prijzen te realiseren. Het bleef echter een moeilijke periode, die veel afvallers kende. De slag met de legkippenhouders was definitief verloren. De legkippenhouderij in Nederland ontwikkelde zich in het begin van de jaren vijftig goed. Zo goed zelfs dat in Nederland zich vanaf 1953 de grootste eierexporteur ter wereld mochten noemen. Om een indruk te geven: in 1957 raapten de Nederlandse pluimveehouders ruim vier miljard eieren, waarvan er meer dan drie miljard werden geëxporteerd. Andere landen konden dit niet langer aanzien en hielpen via steun maatregelen hun eigen pluimveehouders op gang, waardoor er eind jaren vijftig zeer lage eierprijzen werden genoteerd.
Pekingeend De eendenhouders wisten dat er iets moest gebeuren wilden zij ook op termijn een boterham in de eendenhouderij kunnen verdienen. De zoon van een van de pioniers, F.A de Lange, leek het antwoord hiervoor inmiddels in huis te hebben : de Pekingeend. De toekomst van de eendenhouderij werd gezocht in het houden van slachteenden. Hoewel men hiermee al op grootschalige wijze rond de eeuwwisseling was begonnen in Amerika en later in Duitsland, had deze wijze van pluimveeveredeling in Nederland nog geen ingang gevonden. De oorsprong in China,waarna deze eind vorige eeuw naar Amerika en Duitsland werd geëxporteerd. De Duitsers en de Amerikanen veredelden deze tot zware vleeseenden die behoorlijk van elkaar verschilden qua bouw. Groot nadeel van beide variëteiten was een lage eierproductie. Aangezien de Nederlandse eendenhouders begin jaren vijftig nog op twee gedachten hinkten,richten zij zich al snel op het fokken van een dubbeldoel eend. Door het inkruisen van witte Cambelleenden en witte Indische loopeenden ontstond al vrij snel een typische Hollandse Pekingeend. Deze eend, die een slachtgewicht kende van ruim twee kilo, had een goede eierproductie van tussen de 150 en 200 eieren per jaar. Groot winstpunt van deze eenden was het witte dons. Dit zorgde voor extra opbrengst omdat het uitermate geschikt was om te verwerken in kussens.
VSE De eerste jaren was met name de afzet van de jonge slachteenden een groot probleem. Nieuwe markten moesten worden aangeboord en werden uiteindelijk in West Duitsland gevonden. Maar na een jaar of drie durfde men het in 1955 toch aan om samen met de eierveiling (de VEVEH) een nieuw gebouw te openen. Reeds in het jaar daarop werd besloten tot de bouw van het vrieshuis met bewaarcel en kort daarna een extra ruimte voor verenbehandeling. In 1961 besloten de VEVEH en de VSE te gaan fuseren. In negen jaar tijd was men erin geslaagd om de productiecapaciteit te vergroten van 400 tot 20.000 eenden per dag. Opnieuw kende de eendenhouderij een aantal goede jaren. Aan de Pekingeenden werd redelijk goed verdiend. Ook hadden Harderwijk en Ermelo in die tijd een drietal grote voerfabrieken: te weten Jansen Voeders van de nazaten van de pioniers, Gardenbroek en de Veluwse Graanhandel.
Kortlang LTD Geleidelijk aan verdween de Khaki Campbellhouderij, een hoofdstuk werd hiermee afgesloten. Hoewel toch niet helemaal. Een eendenhouder, de heer F. Kortlang toog eind jaren vijftig namelijk naar Engeland. In dit land met zijn lange fokkerijtraditie Heeft hij een onderneming opgericht(Kortlang LTD.) die wereldwijd een naam heeft opgebouwd als leverancier van Khaki Campbell fokmateriaal. De eend waarmee hij zijn goede naam heeft opgebouwd is de Khaki Campbell Tonsul en het is een eend die volgens de kenners grote gelijkenis vertoont met de eend die gedurende dertig jaren het beeld heeft bepaald op de eendenhouderijen in Tonsel. Niet iedere eendenhouder ging over op de Pekingeend. Ook andere bedrijfstakken als de varkenshouderij, de vleeskuikenhouderij of de legkippenhouderij waren in trek. In Harderwijk begonnen enkelen voorzichtig met het houden van vleeskalveren, een ontwikkeling die zich later versterkt zou doorzetten. Toch waren er begin jaren zestig nog ongeveer honderdvijftig eendenhouderijen In Nederland. In 1960 produceerden zij gezamenlijk ruim 14,8 miljoen kilo aan geslachte jonge Pekingeenden. Deze werden niet alleen in de omgeving van Ermelo en Harderwijk geproduceerd, maar ook in andere delen van het land als de Achterhoek (5 procent) en Brabant (twaalf procent).
Sanering Zoals zo vaak bleek de productie weer eens te snel gestegen te zijn en een nieuwe saneringsronde diende zich aan in 1963, toen de prijzen dramatisch daalden en de voorraden snel toenamen. Een extra complicatie waren de snel stijgende loonkosten in het begin van de jaren zestig. Het personeel trok van de bedrijven weg en vond beter betaalde banen in de industrie en bij de overheid. Veel bedrijven verpauperden dan ook snel, doordat de oude huisvestingssystemen nogal onderhoudsgevoelig waren. Het kwam nu nog meer dan voorheen op de werklust van de endenhouder zelf aan, Waarbij een voldoende bedrijfsgrootte natuurlijk een noodzaak was. Opvallend was het aantal bedrijven waarin broers wisten samen te werken de sector Zouden gaan domineren. Namen als Kok, Klaassen, Jansen, Hoeve, en de Lange Zijn onlosmakelijk met de sector verbonden. De firma Jansen, die meer dan vijftig jaar een belangrijke rol speelde, ging roemloos tenonder, waarbij ook de voerfabriek uiteindelijk verdween. Net als bij veel andere agrarische bedrijven bleek het niet mogelijk om met personeel eenden te houden. Veel kleinere eendenhouders schakelden over op het mesten van kalveren, wat achteraf een goede keuze is gebleken. Nog velen eendenhouders zouden afvallen. Van de oorspronkelijke vissers binnen de eendenhouderij zijn er inmiddels al niet veel meer over. Hun plaatsen worden veelal ingenomen door boeren boeren uit Horst en Telgt, maar ook uit de omgeving van Putten en Barneveld.
Toekomst zoals zo vaak onzeker
De jaren zeventig waren voor de eendenhouders erg mager. De prijzen waren laag, de concurrentie op de Duitse markt, met name vanuit het Oostblok, was hevig. Het einde van de sector leek dan ook inzicht. De Gemeente Harderwijk ontwikkelde plannen om het eendengebied vol te bouwen. Het verzet van de voormalige vissers was bijna even taai als bij de afsluiting van de Zuiderzee. Uiteindelijk nam de gemeenteraad genoegen met een klein plan Frankrijk, zodat er eendenbedrijven zouden kunnen overleven. Had de gemeenteraad in die tijd zijn plannen doorgezet, dan was de sector ten dode opgeschreven geweest. De prijzen waren in die tijd erg slecht en in combinatie met een faillissement van slachterij Midden – Nederland leek op dat moment een gunstig toekomst perspectief ver te zoeken. Als dan ook nog de voornaamste fokbedrijven zouden wegvallen was ook onder de VSE het draagvlak dermate afgebrokkeld dat aan het tijdperk een einde was gekomen.
Sanering Na 1980 kwamen er weer wat nieuw ontwikkelingen op gang. In verband met de noodzaak het gehele jaar rond te kunnen leveren, werden de eenden in toenemende mate binnen gehouden. Een ontwikkeling die nog extra werd versterkt doordat de overheid dit wettelijk ging voorschrijven. Uiteindelijk zou dit ook leiden tot een saneringsronde, waardoor vele zouden afhaken. De enorme investeringen alsmede de verslechterde arbeidsomstandigheden voor de eendenhouder, zouden velen ertoe bewegen de pijp aan Maarten te geven. Toch heeft de sector nog een gestage groei mogen doormaken gedurende vijftien jaar. DE verbeterde bedrijfsvoering aan de slachterij, de kwaliteitsverbetering van de Nederlandse eend en een verbeterde afzetstructuur zorgden er voor dat er nog wat rek in de sector zat. Er dienden zich nieuwe eendenhouders aan die grofweg zijn onder te verdelen in twee groepen akkerbouwers uit de polder die hun bedrijf willen uitbreiden met een eendenschuur en pluimveehouders uit de Gelderse Vallei die een oude schuur ombouwen voor eenden.
Koninklijk zilver voor ,eendendokter’ van VSE In 1995 krijgt mijn vader J. Arends een koninklijke onderscheiding uitgereikt door Burgemeester De Groot. Meer dan veertig jaar was hij werkzaam bij de VSE. De gezondheid van de eenden ging hem boven alles. Hij was een bron van informatie voor de eendenhouders en een deskundige op dit gebied. Het laboratorium was zijn heilige plek binnen het bedrijf. Na zijn VUT bleef hij nauw verbonden met de eendenhouderij en de VSE. In juli 2001 na een ongelijke strijd overlijd mijn vader.
Slachterij In 1999 is de VSE dan ook een gezonde onderneming met binnen de oude gebouwen een uiterst moderne slachterij, Behalve deze coöperatieve slachterij is er nog een andere integratie binnen de eendenhouderij actief. Het betreft hier het bedrijf van de heer A. Thomassen die vanuit een eenvoudig poeliersbedrijf een slachterij annex fokkerij (op het voormalige bedrijf van de firma jansen) wist op te bouwen die goed is voor anderhalf miljoen eenden per jaar. Dat komt neer op 25 procent van de totale productie. Dit bedrijf is de hoofdleverancier van Pekingeenden aan de Chinese restaurants in Nederland. Zoals zo vaak is de toekomst van de eendenhouderij onzeker. De forse inversteringen hebben veel bedrijven in financieel opzicht kwetsbaar gemaakt. Er zijn enkele bedrijven die met opvolgingsperikelen kampen, waarbij sowieso het aantal mannelijke bedrijfsopvolgers beperkt lijkt. Andere zaken die de bedrijfstak onder druk zetten zijn de toenemende regelgeving vanuit Den Haag, de zeer lage varkensprijzen (die ook een negatief effect hebben op de prijs van geslachte eenden), de stijgende kosten van mestafzet, de lage verenprijzen als gevolg van dumping op de Europese markt door China, opnieuw toenemende concurrentie vanuit Oost Europa. Gelukkig zijn er ook positieve zaken te noteren, zoals lage voerprijzen, de efficiënte slachterij en de goede naam van de Nederlandse eend. Ondanks alle veranderingen in de afgelopen jaren is er eigenlijk maar weinig veranderd. Goede en slechte jaren wisselen elkaar af. In die ruim tachtig jaar is het eigenlijk nooit anders geweest. Door op coöperatieve wijze samen te werken heeft men tot nu toe al heel wat stormen weten te doorstaan. We moeten er dan ook maar vanuit gaan dat Ermelo en Harderwijk voorlopig nog niet van de eendenhouders af zijn . Is dat jammer ? Voor sommige mensen misschien wel, aan de andere kant niet. Het is en blijft een unieke bedrijfstak die ook via aanverwante bedrijven al generaties lang zorgt voor een mooi stuk werkgelegenheid. Anno 2004 ligt deze sector weer onder druk de verwachting is dat men ook deze keer weer de storm zal weerstaan.