Voeren Het juist voeren van de KOI is een kunst op zich en ook een leuk onderdeel van de hobby. Men kan de vissen veel leren en door goed voergedrag hun gezondheid sterk verbeteren. Bedenk echter dat vooral het voer de bron van organische vervuiling is. Zie de KOI als een “voerverteermachineâ€, die afval produceert. De efficiëntie is echter erg laag!!
Fouten, die veelvuldig gemaakt worden: A) Te veel voeren. De vissen krijgen (veel) meer dan nodig. Hierdoor gaat hun spijsvertering slechter werken en worden ze minder actief. Gevolg: grote vervuiling rechtstreeks of via vis. B) Er wordt te weinig rekening gehouden met seizoenen.'s Winters ligt de vertering bijna stil. Men moet nu de voerhoeveelheid aanpassen en deze ook beter verteerbaar maken (meer koolhydraten) Zie Tabel. C) Gespreid voeren in kleine porties. KOI’s hebben een zeer beperkt maagsysteem, zodat veel voer onverteerd naar buiten komt. D) Voerdergedrag aanpassen op jonge en/of volwassen vis. De volwassen vis groeit niet meer en heeft dus veel minder en armer voer nodig.
Rekenvoorbeeld Interessant is nu alle theorie eens te verduidelijken met een tweede rekenvoorbeeld. Beetje lastig soms, maar probeer het te volgen. Onderstaande berekening is gebaseerd op een aantal aannames en niet super nauwkeurig. Er ontstaat echter een aardig hulpmiddel, dat gecombineerd met verdere chemische analyse een duidelijke voederstrategie mogelijk maakt. Bekend is dat ’s winters niet tot nauwelijks gevoerd moet worden, omdat door de lage temperatuur alle afbraak- en verteringsprocessen bijna stilstaan. In de warme zomer draait alles op volle snelheid, zodat de processen snel verlopen. In verband hiermee voert men ‘s zomers eiwitrijk en ’s winters vet- en koolhydraatrijk.
Gouden regel: Te veel voeren is veel erger dan te weinig. Onderstaande tabel geeft indicatief het percentage van de normhoeveelheid voer weer.
De normhoeveelheid voer is die hoeveelheid die een gemiddelde, volwassen vis bij ± 23 ºC nodig heeft. Hij wordt uitgedrukt in grammen per dag (als droge stof). Een volwassen vis heeft als norm ongeveer 0,4% van z’n lichaamsgewicht aan voer nodig. Een jonge, opgroeiende vis 3 maal zoveel. We hebben hier dus een leidraad voor het voedergedrag, die rekening houdt met watertemperatuur, verhouding volwassen en jonge vis en het soort voer.
Stel nu: vijver van 10.000 liter van 20 ºC bevat 1 gram vis/liter (erg veel!) waarvan 30% jongen. Geen bacterie afbraak. Berekening: ((0,7*0,4/100*1)+(4*0,3*0,4/100*1))*10.000= (0,0028+0,0048)*10000=76 g/dag, correctie temperatuur (zie tabel): 80% van 76 = circa 60 gram/dag (droog voer) Deze 60 gram/dag wordt voor 30 % niet door de vis gebruikt. Dit overschot komt terecht in de uitwerpselen, dus in dit geval ongeveer 20 gram/dag!!!! Droogvoer bevat circa 35 % organisch koolstof en 6 % organisch stikstof. De organische parameters gaan als volgt omhoog:
TOC 20*0,35/10000*1000= 0,7 mgC.l/d
TON 20*0,06/10000*1000= 0,12 mgN.l/d
Als dit organisch afval niet afgebroken wordt, zal na enkele weken een rampzalige situatie kunnen ontstaan. Dit vooral omdat het visbestand ver boven de natuurlijke afbraakgrens van de vijver ligt. We zien hier dus dat aan de hand van TOC/TON analyse fouten in het voergedrag opgespoord kunnen worden.
Een ander voorbeeld van TOC / TON verhoging is: Stel: een KOI van 2 kg sterft en dit wordt niet opgemerkt, afbraak werkt niet (redenatie geldt ook voor andere dode dieren). Vis bestaat voor 80% uit water, de droge stof bevat +/- 30 % C en 5% N. Binnen een dag gaat de helft van een dode vis in oplossing, de rest lost op in ca 10 dagen.
na dg 1na dg 11 TOC 6 12 mgC/l TON 1 2 mgN/l
Ook hiermee wordt aangetoond dat chemische analyse van meer dan simpele parameters alleen van belang is.
bron: ATC CV Koieagle is niet aansprakelijk voor behandelingen